Iets in mij wil deze tekst beginnen, dat het vroeger beter was. Vroeger was het anders, vroeger was het makkelijker. Vroeger was dit er nog niet en was dat er al wel. Vroeger maakte het niet uit, maakte niks uit. Waren dingen vanzelfsprekend of had je er nog nooit eerder over nagedacht.

Nu denk ik overal over na, heb ik alles al uitgedacht. Zelfs als het ergste wat er kan gebeuren mij overkomt, dan heb ik er over nagedacht. Dat is wat rouw doet. Dat is wat rouw met mij heeft gedaan.

Ik ben hier, ik ben aanwezig maar tegelijkertijd ben ik daar waar het veranderde. Ik ben op een plek of in een moment wat me niet snel zou loslaten, misschien wel nooit. En ik ben gelukkig of juist niet en dat voel ik, ik voel alles. Ik voel hoe de sfeer in een kamer kantelt zodra ik iets zeg wat bij een ander ook iets raakt.

Het moment dat ik besefte dat een zeer dierbare zou kunnen gaan sterven, stelde ik mijzelf een vraag. Het was geen rustige gedachte. Ik schreeuwde, hard en schel vroeg ik me af: ‘Wat moet ik doen? Straks gaat-ie dood en wat moet ik dan doen?’ Alsof het antwoord daar op mij in de tijd die toen ging komen zou kunnen helpen. Alsof iemand het antwoord in mijn hoofd kon leggen.

Bijna vijf jaar later is het enige wat ik zeker weet, dat ik nog steeds niet weet wat ik moet doen.